Media

Rapport

Van: STICHTING WELZIJN GROTE GRAZERS

 

Bestemd voor: DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

 

Onderwerp: Onnodig dierenleed en sterfte Oostvaardersplassen en ongeschiktheid van het gebied.

 

Opgemaakt 5 februari 2013

 

 

                                                   RAPPORT

 

 

Grote grazers zijn vanwege hun soort eigen gedrag in de natuurterreinen geïntroduceerd als vervangers van de uitgestorven soorten, zoals het oerrund en oerpaard. Zij maken paden, open plekken en zorgen voor gevarieerde vegetaties die dan weer leefgebieden vormen voor een scala aan andere dieren, in het bijzonder vogels. In het algemeen weten zij zich goed in deze natuurterreinen te handhaven en vormen zij een waardevolle bijdrage aan het aanwezige ecosysteem.

In nagenoeg alle natuurterreinen in Nederland wordt proactief beheer toegepast omdat de natuurlijke vijanden ontbreken.

Ook de Oostvaardersplassen ( OVP ) is een cultuurgebied waar in 1983 Heckrunderen, Konikpaarden en Edelherten zijn geïntroduceerd. Eigenlijk vanaf het begin doen zich hier nagenoeg iedere winter, tot in het verre voorjaar, calamiteiten voor. Een voorbeeld daarvan is de grote sterfte en het onnodige lijden vanwege in een veel te laat stadium afschieten ( reactief beheer) van de uitgehongerde en dus ernstig verzwakte dieren. In een gebied waar één van het belangrijkste natuurlijke gedrag van de graseters, de migratie, niet kan worden toegepast, omdat het terrein is omheind en Nederland voor de migratie van deze dieren, vanwege de dichtbevolkte gebieden, ongeschikt is.

Deze dieren lijden niet alleen heel erg aan verzwakking en uitputting, ze worden tevens vanwege te langdurig voedselgebrek, fysiologisch in de winterperiodes, op een ernstige manier in hun welzijn en gezondheid geschaad, eer ze door middel van een kogel zogenaamd vroeg reactief worden verlost.

Dat is de consequentie van het ecologische natuurbeheer, dat Staatsbosbeheer ( SBB ) nastreeft in zogenaamde “ Spoor A” natuurgebieden. Dit zijn de meest natuurlijke natuurgebieden waarin het handelen van de mens een ondergeschikte rol speelt.

Het feit dat de dieren in hun benarde positie door SBB geen zorg wordt geboden anders dan door ze in een veel te laat stadium uit hun lijden te verlossen, verontwaardigt niet alleen ons als Stichting maar ook vele anderen en zorgt ( blijvend ) voor maatschappelijke discussies.

 

Het gebied is ongeveer 6000 ha groot, 4000 ha daarvan bestaat uit moeras en water en ongeveer 2000 ha bestaat uit zeer vruchtbare kleiweidegrond, rietlanden, ruigtegebieden en struweel. In de vruchtbare kleiweidegronden zijn nog duidelijk contouren aanwezig van het vroegere gebruik van dit gebied ten behoeve van de landbouw/veeteelt. De contouren van de toentertijd in cultuur gebracht landbouwgrond zijn nog duidelijk te zien aan de sloten, greppels en akkers. Ook komt op de (hogere) gronden hoofdzakelijk het toentertijd door de boeren ingezaaide Engels Raaigras nog volop voor. Dit Engelse Raaigras is één van de voedzaamste grassen en wordt hoofdzakelijk gebruikt in de reguliere veehouderij voor vee met hoge producties. Eigenlijk past deze kunstmatige en te voedzame grassoort  ( veel te hoge VEM-gehalte voor dieren in natuurgebieden) niet in het bedoelde aanwezige ecosysteem. En verstoort de aanwezigheid van deze grassoort de ecologische doelstelling van een logische groeicurve van de herbivoren in een neerwaartse lijn tot een nulpunt volledig. Aangezien dit rijke en korte voedselaanbod in de komende zomers voorlopig niet veel zal veranderen, zullen de herbivoren in de korte periode van ongeveer vijf en een halve maand in een ( te ) goede conditie komen en zullen er daardoor volop dekkingen, nagenoeg 100% plaats vinden, gevolgd door vele geboortes. Daardoor zal er onder omstandigheden van logische groeicurve naar beneden tot het eventuele nulpunt, het stokpaardje van SBB, tot in lengte van jaren geen sprake zijn. Hoewel SBB de laatste tijd aangeeft dat er volgens hen wel sprake is van een groeicurve naar beneden met ongeveer 150 dieren, zijn wij het daar helemaal niet mee eens. Volgens ons worden die 150 dieren extra weggeschoten om naar buiten te doen voorkomen dat men goed en geloofwaardig bezig is.

Het heckrund, het konikpaard en het edelhert zijn gras-en planteneters ( herbivoren), hetgeen betekent dat gras en kruiden als voedselbron dienen. In de nazomer en het najaar eten ze, als ze de kans krijgen, grotere hoeveelheden gras dan noodzakelijk is om in hun onderhoud te voorzien. De natuur heeft het zo geregeld om de dieren in staat te stellen in die periode een vetvoorraad aan te leggen voor de winter en het vroege voorjaar, wanneer het voedsel ( soms ) schaars is en eveneens veel minder voedzaam is. In deze periode, het najaar dus, zorgen de hormonen, gevormd in de hypofyse, voor stimulatie van de eetlust en toename van de opslag van vet. Tevens stimuleren deze hormonen de groei van de wintervacht. De veranderingen in de hormoonafgifte in het najaar hoort bij de natuurlijke overlevingsmechanismen die ervoor zorgen dat er in de winter voldoende energie beschikbaar is in het lichaam als het voedsel soms schaarser en minder voedzaam is. In het voorjaar, als het gras weer gaat groeien, behoren de in het najaar aangelegde vetvoorraden te zijn verbruikt.

In de vrije natuur in Nederland is er voor de herbivoren in het wild, zoals herten en reeën ook als de bodem met sneeuw is bedekt, altijd ruim voldoende minder voedzaam vegetatie aanwezig. De vegetatie bestaat meestal uit ruigtes en uitgegroeide grassen, welke echter maar weinig voedzame stoffen meer bezitten. ( Laag VEM-gehalte ). Een aanvulling op deze schrale voeding is deze 20% vetvoorraad er niet, zoals SBB en de adviesgevende ecologen beweren, dat de grazers in de OVP de winter door kunnen komen met een aangelegde vetvooraad van ongeveer 20%, terwijl de dieren voor een periode van  ruim 5 maanden nagenoeg zijn verstoken van enig voedsel. Namelijk door de overbevolking, overbegrazing, en ernstige vertrapping van de in de herfst en winter overvloedige regen, doorweekte en weinig draagkrachtig hebbende zeeklei, ontbreekt voedsel van enige betekenis in die periode nagenoeg volledig, terwijl de reguliere wetenschap aangeeft dat die vetvoorraad  een AANVULLING behoort te zijn op voedselschaarste en minder voedzaam voedsel, wat in een winterperiode normaal is. Jonge en opgroeiende dieren leggen echter nagenoeg geen of veel minder vetvoorraad aan en hebben daardoor in de OVP met het ontbreken van die vetvoorraad, in vergelijking met de rest van Nederland in het wild wel voorkomende ( schrale ) vegetatie, eigenlijk fysiologisch geen schijn van kans om een winterperiode te overleven. Zo verdwijnen bij het afnemen van de conditie de natuurlijke bewegingen en  neemt vooral de conditie van de vacht, die de dieren tegen de regen, sneeuw en ijzel moet beschermen, af.

Daarom heeft het opwerpen van beschuttingswallen ook weinig zin, omdat de steeds slechter in conditie wordende dieren bij regen, sneeuw en ijzel, ook achter die wallen tot op de huid toe nat worden en daardoor ernstig kou lijden, hetgeen in combinatie met nagenoeg niet meer beweging, nadelig is voor de gezondheidstoestand.

Verder dient te worden vermeld dat in het voorjaar, als het jonge gras begint uit te lopen, dit                                                                                                                                                           

                                                                 

voor een groot gedeelte voor de totaal uitgehongerde herbivoren wordt   “weggemaaid”                                                           door tienduizenden in deze OVP foeragerende en broedende ( hoofdzakelijk grauwe) ganzen, het stokpaardje van SBB.

Vanwege het niet werken van de natuurlijke regulatie, een basiselement en het ontbreken van natuurlijke vijanden, eveneens een basiselement, doen zich  dus in deze afgesloten OVP al jaren lang, aanvangend in de na-herfst, de gehele winterperiode, tot ver in het voorjaar, ernstige calamiteiten voor met het welzijn en de gezondheidstoestand van de door de mens in het gebied geplaatste herbivoren. Omdat vanaf  begin november tot ongeveer half mei alle vegetatie, door overbegrazing, vertrapping en dus ook mede door afgrazing van onvoorstelbaar grote koppels (grauwe)  ganzen, is verdwenen. Vooral reeds in de maand oktober verdwijnt het gras door natte periodes als sneeuw voor de zon en veranderen grote gedeelten van de lagere weidegronden in ware modderpoelen. Wij zijn van mening dat deze vertrappingen door de veel te grote hoeveelheid aanwezige herbivoren in dit gebied eveneens een ernstig verstoring zijn van het (bedoelde) aanwezige ecosysteem. Naar onze stellige overtuiging zijn de dieren in een te lange onnatuurlijke periode van voedsel verstoken en kunnen periodes van 5 tot 6 maanden voedselonthouding alleen worden verdragen door dieren die een winterslaap houden. Volgens ons is er nergens ter wereld een dergelijk gebied waar migreren niet mogelijk is en waar herbivoren in een zo lange periode nagenoeg van voedsel verstoken zijn. Wij vinden dit misdadig en niet thuis horen in een ontwikkeld en beschaafd land, als Nederland eigenlijk is. Volgens ons zijn de dieren in de OVP in de winterperiode van lang voedselgebrek niet “echt gelukkig”, zoals SBB iedereen wel wil doen geloven. Het “gewone wild” in de vrije natuur van de rest van Nederland is dat wel, omdat dit wild ALTIJD de beschikking heeft over voldoende voedsel, ook indien die schraal is. Eten en drinken is namelijk het allerbelangrijkste voor dieren. Zelfs belangrijker dan welke omgeving dan ook.

Door SBB wordt het zogenaamde natuurlijke gedrag van de herbivoren in de OVP vaak als referentie genomen om de welzijnsaspecten van gehouden dieren te beoordelen. Wij vinden dit nergens op slaan. De overheid pretendeert al jaren dat de aandacht voor het dierenwelzijn in Nederland groot is. Voor ons als Stichting en vele anderen heeft het welzijnsbeleid van de overheid, met het tolereren van de in onze ogen ernstige misdaad tegen de dierlijkheid in de OVP, een ernstige deuk opgelopen. Men heeft naar onze mening hiermee een omgekeerd effect bereikt. Er wordt volgens ons teveel eenzijdig naar de enthousiaste ecologen geluisterd en te weinig naar mensen die meer een reëel beeld van natuurbeheer en dierenwelzijn hebben.

Bovenop de ernstige vertrapping van het gebied komt ook nog eens het dagelijks beschadigen van de bodem op diverse plaatsen, door steeds maar rondrijdende (helaas noodzakelijke) monitorende boswachters in hun vierwiel aangedreven voertuigen en die in afschotperiode rondrijden om de gestorven en geschoten dieren op te halen en af te voeren ter destructie.  Deze voertuigen en de hoge frequentie leidt niet alleen tot ernstige beschadigingen en vernielingen van de bodemstructuur, maar is ook een ernstige verstoring in het ( bedoelde) ecosysteem. Vanwege deze hoge frequentie moest SBB noodgedwongen overgaan tot asfaltering, hetgeen in een zogenaamd zeldzaam “natuurgebied” belachelijk is. Ook past de aanwezigheid van deze boswachters en hun veelvuldige georganiseerde excursies, alsmede in een al geruime tijd aanwezig zijnde filmopnameploeg niet in het natuurlijke wilde/verwilderde gedrag en de rust van herbivoren, waar SBB ook al zo hoog van opgeeft. Duidelijk is ook te zien, dat de dieren door de jaren heen gewend zijn geraakt aan dit voor natuurlijke dieren afwijkende gedrag, door SBB en de filmploeg veroorzaakt. De meeste dieren zijn hun wilde gedragingen  helemaal kwijt.                                                                                                                          

De dieren zijn gemakkelijk benaderbaar en tonen nagenoeg geen vluchtgedrag meer. Ook dit is onnatuurlijk.

Hiervoor is al aangegeven dat er eigenlijk vanaf begin november tot half mei nagenoeg niets is te eten voor de  herbivoren. Een groot gedeelte van het jaar. Eigenlijk is dat al jaren zo en kunnen de dieren maar ongeveer vanaf  half mei tot ongeveer half oktober over voldoende vegetatie beschikken. Daarna wordt het schrapen voor alle dieren. Dit is in tegenstelling tot wat de KNMvD beweert, namelijk dat de dieren het grootste gedeelte van het jaar over voldoende vegetatie beschikken. Dit is dus beslist niet waar. Alle mooie verhalen van zogenaamde deskundigen ten spijt, zijn wij van mening dat die periode van voedselonthouding veel te lang is en vervalt de theorie dat de dieren op een aangelegde vetvoorraad van ongeveer 20% deze nagenoeg voedselloze periode moeten zien door te komen. In die periode hebben nagenoeg alle herbivoren extra energie nodig om “de kachel” warm te houden. Deze  energie ontbreekt. Hier komt bij dat de dieren in de vorstperiode niet kunnen beschikken over water, waardoor de dieren worden gedwongen (indien aanwezig), sneeuw tot zich te nemen, hetgeen ook weer enorm veel energie van de dieren vergt. Deze energie is in de maanden januari en februari al voor een groot gedeelte verbruikt en bij veel ( vooral jonge en opgroeiende) dieren al niet meer aanwezig. In die vorstperiodes zie je dan ook vaak dat vooral de herten en de konikpaarden het ijs opgaan. Kennelijk worden ze gedreven door de honger, dorst en de natuurlijke drang om te migreren. Ook wordt door SBB altijd verwezen naar een vergelijking tussen de OVP en de Serengetie in Afrika. De OVP mist gewoonweg al die basiselementen voor echt natuurbeheer die de dieren in de Serengetie wel hebben. Daar kun je, in tegenstelling tot de OVP, WEL alle kadavers laten liggen, omdat daar wel voldoende aaseters aanwezig zijn. Zo is migratie in de Serengetie één van de allerbelangrijkste natuurlijke gedragingen van de herbivoren, en heb je daar ook geen koude winterse omstandigheden, wat heel veel meer energie kost in tegenstelling tot de warmte. Ook de herbivoren in de OVP zijn behept met dit migratie-gen en zullen zeker gaan trekken naar betere oorden indien ze niet worden tegengehouden door de omheiningen en het water van de OVP. Omdat migratie vanuit de afgesloten OVP ( maar sowieso in Nederland) dus niet mogelijk is, wordt de herbivoren dit onmisbare natuurlijke gedrag onthouden. Dit geeft  niet alleen ellende van tienduizenden dieren in al die jaren tot nu toe, maar ook ieder jaar alleen maar vernielingen, beschadigingen en overbevolking op het terrein, waardoor het gebied dus ook daarom niet meer voldoet en dus ook niet meer bijdraagt aan een goed ecosysteem. Naar onze mening komt hierin tot in lengte van dagen geen verandering en zal het alleen maar slechter worden. Ook mist de OVP een van de belangrijkste elementen, in tegenstelling tot de Serengetie: de essentiële natuurlijke vijand.  Die is daar verantwoordelijk voor de ongeveer 30% dode dieren, en beslist niet de hongerdood zoals de dierenarts en  medewerkers van SBB beweren. In de OVP is ALLEEN de honger ieder terugkerend jaar verantwoordelijk voor de dood van meer dan 30% van de daar in het verleden doormensen ingebrachte en opgesloten herbivoren.

 

De winterperiode 2011/2012 heeft het niet kunnen migreren het leven gekost van 1500 dieren. Een treurig aantal. Dit is een onvoorstelbare hoeveelheid kadavers. Indien men de gestorven en geschoten dieren achter elkaar zou leggen, dan levert dat een kadaverlint van ongeveer 3                                        

Kilometer op, of te wel een gewicht van tussen de 200 tot 300 ton aan destructie materiaal. Dit zijn ongeveer 10 trucks met opleggers van 30 ton vol met kadavers.  Wij vragen ons als burgers met het juiste gevoel naar dieren toe af, of een dergelijk dierendrama de consequentie moet zijn van ecologisch natuurbeheer dat SBB nastreeft, in een zogenaamd                                                                                                                                                         

Spoor A gebied als de OVP. Wij vinden dit dus niet en zijn daarom dan ook van mening dat dit in onze ogen misdadige, door de overheid getolereerde gedrag tegen die onschuldige en kansloze dieren, in een kansloos en totaal niet kloppend natuurproject, onmiddellijk moet stoppen. Men dient als overheid ook gewoon rekening te houden met burgers die niet willen dat onschuldige dieren voor een dergelijk niet lopend experiment worden gebruikt en waarvan velen het met de dood moeten bekopen na lange perioden van onnodig honger lijden, om vervolgens nutteloos met de kogel uit de weg te worden geruimd. Ook is de vraag of dit nu de echte natuur is, iedere dag die monitorende afschietende boswachters met hun voertuigen in het gebied. Ook het verwijderen van de kadavers is onnatuurlijk, maar noodzakelijk, omdat het laten liggen van 1200 tot 1500 dode dieren bij het oplopen van de temperatuur zal zorgen voor enorme stankoverlast. Het zou problemen kunnen geven voor het direct naast het gebied gelegen treinverkeer en, bij ongunstige wind, voor relatief dichtbij gelegen steden Lelystad en Almere. Grote en voldoende aaseters ontbreken hier namelijk volledig op enkele nietszeggende aantallen vossen, marters en andere kleine aaseters na. Deze enorme hoeveelheid kadavers zullen bij het stijgen van de temperatuur ten prooi vallen aan de madevlieg, hetgeen oorzaak kan geven voor uitbreiding van de zeer besmettelijke madeziekte bij schapen ( myasis ) in heel Nederland.

Het struweel in de OVP bestaat hoofdzakelijk uit oorspronkelijke ( niet geplant) wilgenhout in de vorm van bomen en struikgewas. Nagenoeg al dit struweel op de plaatsen waar de dieren kunnen komen is door aanvraat van de bast volledig vernield, is dood en ligt veelal tegen de vlakte. Vooral in de winterperiode geeft de trieste aanblik van al die door aanvraat van de uitgehongerde dieren gedode bomen en struiken een afspiegeling van rondwarende honger. Wij vinden dat de totale uitroeiing van ALLE bomen en struiken waar de dieren kunnen komen, niet past in het natuurlandschap en dat het geen bijdrage levert aan het aanwezige ecosysteem. De enige struiken die daar nog overlevingskans hebben, zijn de struiken met doornen en de struiken en bomen die voor de dieren onbereikbaar in het water of het moeras liggen. Ook dit komt het aanwezige ecosysteem niet ten goede.

Wetenschappelijk onderzoek naar bioversiteit kan alleen worden uitgevoerd door bepaalde kleine perceeltjes af te schermen met prikkeldraad. Buiten deze perceeltjes is dit onderzoek  niet mogelijk, omdat in feite alle vegetatie door overbevolking wordt weggegraasd, dan wel op een andere wijze wordt beschadigt of vernield. Door bodem structuurbederf vanwege overbevolking komen er veel minder muizen voor, waardoor het roofvogelbestand ( vooral kiekendieven) snel achteruit gaat.

SBB verklaart,volgens de KNMvD, dat het aantal dieren sinds de introductie is gestegen. Het verloop van de relatieve netto aanwas van de herbivoren in de OVP hoort volgens de KNMvD bij een logische groeicurve. Een logische groeicurve past volgens hen bij een populatie herbivoren die door voedselaanbod wordt gereguleerd. De populatie groeit dan aanvankelijk exponentieel, vervolgens lineair en bij het bereiken van de draagkracht van het gebied neemt de groei geleidelijk af naar nul. Zo zijn de theorieën en zo hoort dit in de praktijk te zijn. Dit zijn ook de theorieën waarin de medewerkers van SBB nog steeds geloven en die tot vervelens toe altijd maar weer aan de man worden gebracht. Echter in de OVP heeft de   werkelijkheid hen ingehaald en werkt deze theorie tegen arrogant beter weten in nog steeds niet. En wij weten wel zeker, gezien de voorliggende periode, dat het in de toekomst ook  niet zal gaan werken.                                                                     

Hoewel SBB anders beweert, komen er ieder jaar ( toch nog) steeds meer dieren en worden er steeds meer afgeschoten. Kennelijk spelen hier andere belangen om dit te gaan inzien. Naar onze mening is de vruchtbare bodem van de OVP, welke volledig uit zeeklei bestaat, niet geschikt om als een natuurterrein te dienen zoals SBB dat voor ogen heeft. De in dit gebied gebrachte dieren kwamen vroeger meer voor op hardere en hogere zandgronden en dus op droge gebieden. Deze gronden waren rijk aan mineralen. Zeeklei is een bezinksel van modderdeeltjes en bezit minder voor de dieren benodigde mineralen. Mineralen worden in de natuur door de dieren via voedsel, dan wel door likken aan de grond, opgenomen. De hedendaagse gedomesticeerde paardachtigen tonen dit natuurlijk gedrag op zandgronden nog steeds, door gaten in de grond te graven met hun voorpoten. Blootgelegde ondergrond wordt vervolgens langdurig afgelikt met de tong, waarbij de dieren mineralen proberen op te nemen.  Op kleigrond zie je dit verschijnsel niet of minder. Inmiddels is duidelijk dat alle dieren in de OVP lijden aan een (ernstig) koper gebrek, hetgeen duidt op een gebrek aan mineralen.

 

Over de vergroting van het gebied hebben wij dezelfde mening als de KNMvD. De ICMO heeft ook naar de mogelijkheden van de uitbreiding van de winterhabitat als een reservecapaciteit onder extreme (winter) omstandigheden gekeken, bijvoorbeeld door aansluiting op de aangrenzende Hollandse Hout. Daarnaast wordt ook een uitbreiding naar het  Horster Wold overwogen, wat een eerste stap in de richting van een ecologische corridor naar de Veluwe zou opleveren. ( gaat inmiddels niet meer door). De uitbreiding naar de Hollands Hout biedt met name schuilmogelijkheden en in mindere mate graasmogelijkheden. Een nadeel van gebiedsuitbreiding is dat dit zal leiden tot een nog grotere toename van dieren en daarmee de druk op het gebied nog meer toeneemt, ook in de zomer. Uitbreiding van het leefoppervlakte biedt op de korte duur wel een oplossing voor de wintersterfte. Op de lange termijn zullen door nog grotere toename van de populatie echter weer opnieuw problemen ontstaan. Ook zullen de in de nieuwe gebieden toegelaten Konikpaarden en Edelherten op een gegeven moment, gedreven door de honger, massaal overgaan tot het schillen/aanvreten en het tenslotte doden van alle aanwezige bomen en struiken. Daardoor zal eenzelfde triest beeld ontstaan als in de OVP en past ook dit beeld van dode en omgevallen bomen niet in een waardevolle bijdrage aan het (bedoelde) ecosysteem.

Dan zetten wij grote vraagtekens bij het zogenaamde vroeg-actieve afschieten. Volgens de richtlijnen moet er minstens 90% van de ERNSTIG ZIEKE EN GEWONDE DIEREN DIE STERVEN, tijdig worden afgeschoten om onnodig lijden te voorkomen. Dit vroeg-actieve afschieten gebeurt volgens ons bijna in alle gevallen, veel te laat, namelijk in de door SBB gehanteerde fases 2 en 1. Dit zijn de fases waarin de dieren nagenoeg terminaal zijn en reeds een lange lijdensweg achter de rug hebben.

Artikel lid 3 van de Gezondheids-en Welzijnswet voor Dieren luidt: “Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.”

In 2007 heeft het gerechtshof in Den Haag dat wat onder “nodige zorg” moet worden verstaan afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat met art. 36 lid 3 beoogd wordt te voorkomen dat iemand die met een ziek of gewond dier wordt geconfronteerd het aan zijn lot overlaat. Het hof stelt dat in deze context door SBB in de OVP aan de zorgplicht wordt voldaan door hulpbehoevende dieren die uitzichtloos lijden zo mogelijk te doden. Om dit te bereiken zullen boswachters iedere dag het

gebied intensief moeten doorkruisen om in moeilijkheden gekomen dieren op te sporen om ze

vervolgens te doden. Ook dit dagelijks intensieve doorkruising van het gebied is  tegennatuurlijk en de dagelijkse onrust die dit voor de ( wild geachte) dieren meebrengt, past ook (alweer) niet in een waardevolle bijdrage aan het aanwezige bedoelde totale ecosysteem, namelijk het bevredigen van de natuurlijke behoefte van de dieren.

Leden van ons bestuur komen regelmatig op bezoek in de OVP en stellen zich dan, met medewerken van SBB op de hoogte van de situaties en de toestand van de grote grazers in het terrein in nagenoeg alle jaargetijden. Een lid van het bestuur is een oud politieman en oud- Districtinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) met een ruime ervaring op het gebied van het verwaarlozen en het welzijn van vee. In februari 2012 vroeg hij tijdens een rondrit aan de begeleidende en tevens afschietende boswachter en de bij SBB in dienst zijnde dierenarts hoe zij het moment konden bepalen wanneer een lijdend dier moest worden afgeschoten. Deze ervaren oud inspecteur kon namelijk met de beste wil van de wereld niet vaststellen in welke conditie de heckrunderen verkeerden, hoofdzakelijk vanwege de lange haargroei en het veel veelvuldig liggen van de dieren (alle dieren). Op dat moment was de strenge winterperiode van februari met 25 graden onder nul in Lelystad net achter de rug. Op dat moment was er geen vegetatie aanwezig, was het terrein op veel plaatsen vertrapt en met terreinauto’s kapot gereden. Gezien de hopeloze omstandigheden voor de dieren, moest de conditie van nagenoeg alle dieren matig tot slecht zijn. Volgens de boswachter en de dierenarts werd er reeds reactief afgeschoten. Beiden beaamden dat het visueel vaststellen van de conditie erg moeilijk was en dat men hoofdzakelijk afging op afwijkend gedrag van de dieren. Hierbij gaven zij aan dat dit afwijkend gedrag van de in hun ogen uitzichtloos lijdende dieren hoofdzakelijk bestond uit het niet meer kunnen volgen van de kudde, traagheid, omvallen en het moeilijk overeind kunnen komen. Voor onze oud inspecteur komen deze gedragingen van de dieren vaak overeen met terminaal gedrag, hetgeen onder de reguliere verwaarlozing van vee een ernstig misdrijf is. Dit houdt dus in dat het bepalen van het tijdstip van vroeg reactief schieten /doden eigenlijk niet te doen is en dat dit doden dus nagenoeg in alle gevallen veel te laat gebeurt en er daardoor veel te veel leed plaats vind in de OVP. Eigenlijk moet er in een veel eerder stadium worden geschoten om ECHT lijden te voorkomen. Volgens onze interpretatie is dit ook de bedoeling van de rechter en de voorwaarde van het ICMO2 rapport geweest. Een terminaal geschoten dier heeft al zeker 2 maanden ernstig geleden en zou in die terminale fase, na afschieten, slechts nog kort of nog enkele dagen hebben geleefd. Eigenlijk maakt dat niet zoveel meer uit.

Verder verwijzen we nog naar artikel 2 van de Flora en Fauna wet. In dit artikel is een zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat menselijke handelen geen nadelige gevolgen voor Flora en Fauna mag hebben. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. De zorgplicht voor dieren betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood. Maar wel dat dit, indien noodzakelijk, met zo min mogelijk lijden gepaard mag gaan. De uitleg geeft echter niet aan of de dieren vanwege hun slechte toestand niet mogen lijden of dat de manier van doden pijnloos moet zijn. Normaal denkend zou je moeten concluderen dat dit moet slaan op de slechte toestand en niet op de manier van doden. Ook zou je vraagtekens kunnen zetten bij het gedrag van de medewerkers van SBB door te stellen dat zij zich niet houden aan de zorgplicht voor de flora en fauna. Vanwege de door de ICMO opgelegde monitoring zijn zij eigenlijk te vaak aanwezig in het gebied. Hierbij verstoren zij de dieren zodanig dat zij nagenoeg geen natuurlijk gedrag meer vertonen. Verder zijn de ongeschiktheid van het gebied, de te vruchtbare en te weinig draagkracht hebbende zeeklei en de te veel grote van aantallen herbivoren, in verhouding tot de beschikbare 2000 hectare er de oorzaak van dat het experiment niet loopt.                                                                 

Omdat de natuurlijke regulatie niet werkt, komen er ieder jaar veel te veel dieren,waardoor het gebied vooral door overbegrazing, aanvraat en vertrapping, ernstige natuurschade oploopt. Tevens is er al tijden een commerciële filmploeg in het gebied aanwezig, wat volgens ons strijdig is met het gestelde in bovengenoemde artikel2 van de Flora en Fauna wet.

Volgens ons wordt in de Nederlandse samenleving respect voor dierlijk leven heel belangrijk gevonden. Wij hopen dat dit respect bij het merendeel van de medewerkers van de SBB aanwezig is.

Stuitend zijn de filmpjes op YouTube, waarin te zien is, hoe er met de dode dieren wordt omgegaan. Afgeschoten en omgekomen dieren worden achter de met kadavers volgeladen aanhangers gebonden en door het hele terrein over de bodem naar de kadaverbak gesleurd. Ook hier hebben wij veel moeite mee.

In de OVP ziet men veel de zeer giftige plant Sint Jacobskruid. Deze plant wordt op stengel nagenoeg niet door planteneters gegeten, is echter in hooivorm dodelijk voor veel planteneters, in het bijzonder voor paarden. Het zaad van deze planten verspreidt zich over grote afstanden met de wind. Dat dit zaad inmiddels buiten de OVP terecht is gekomen, zie je aan de met dit kruid volstaande bermen van de A6 tussen Almere en Lelystad, ongeveer ter hoogte van de OVP.  Op internet kun je lezen dat de overheid zich zorgen maakt over de opkomst en verspreiding van deze plant en tevens wordt hierin aangegeven hoe gevaarlijk deze plant is. Ook wordt aangegeven dat de overheden maatregelen willen treffen om het Sint Jacobskruid zoveel mogelijk te gaan bestrijden in het belang van de reguliere veehouderij.

Jaarlijks wordt de OVP ‘overspoeld’ met ganzen, en in het bijzonder de Grauwe Gans. Doordat er totaal geen natuurbeleid is, is de populatie door het broeden in de OVP zo explosief gegroeid, dat zij ook voor overlast zorgen binnen de OVP, door vooral in het voorjaar nagenoeg alle jonge vegetatie voor de herbivoren weg te grazen, waardoor deze volledig uitgeputte dieren nog meer op de proef worden gesteld. Wij zijn er ook van overtuigd dat ook buiten de OVP de overlast van deze in de OVP broedende en daarna uitvliegende ganzen zich in een wijd gebied rond het IJsselmeer voortzet en vooral Schiphol hiervan de dupe is. Daar moeten nu dure wegvang en dodingmethoden worden ingezet om het vliegverkeer veilig te houden. Doordat ook deze dieren nagenoeg geen natuurlijke vijanden hebben, ontstaat overal overlast, mede door het hele ondoordachte experiment in de OVP. Opmerkingen hierover worden, evenals het verspreidingsgevaar van het Jacobskruid en de madeziekte bij schapen, ongeïnteresseerd weggewuifd door de medewerkers van SBB. Daar heeft men totaal geen boodschap aan.

Het liefst zien wij dat het hele gebeuren in de OVP wordt stopgezet. Indien men toch besluit dat het doorgang moet vinden, dan zien wij dat liever in een vorm die overeenkomt met een beheer zoals dat wordt toegepast in het Lauwersmeergebied. Hier wordt op het gebied van natuurbeheer veel meer bereikt met pro-actief beheer, door overtollige dieren te verplaatsen naar andere natuurgebieden,dan wel af te voeren naar de slacht. Daardoor is in dit gebied geen overbevolking en wordt er dus nagenoeg niets aan de natuur vernield of beschadigd. Daar vind je geen dode bomen en struiken en is de aanwezigheid van plantjes en beestjes minstens zo groot en zeker mooier als in de OVP. Hoewel men daar geen kadavers laat liggen broedt ook de zeearend. Misschien zou het beter zijn om alle dieren uit de OVP te verwijderenen het gebied terug te geven aan de natuur. Verbind de gebieden met elkaar en herstel het leefgebied voor de (hedendaagse) oorspronkelijke soorten. Laat de natuur en de tijd hun werk doen. Alleen roodwild met predatoren zou een optie zijn.

Wij zien ook dat een ander ondoordacht experiment in Nederland niet werkt. Dat gaat over de uitgezette bevers. Dit  zijn er ondertussen 600. De Waterschappen waarschuwen voor schade aan de dijken etc. etc. Als er niets wordt ondernomen, zal de populatie uitgroeien tot enkele duizenden en is ook dit project niet meer beheersbaar.

Tengevolge van de eenzijdige inzichten van SBB en andere deskundigen, is de OVP verworden tot een kale, trieste en uitgewoonde vlakte. Verhalen over andere diersoorten, zeldzame planten en naar de buitenwereld steeds maar vertellen hoe mooi de natuur in de OVP is, is een doekje voor het bloeden, werkt echter bij onze Stichting en heel veel buitenstaanders in het geheel niet.

Het OVP-systeem rammelt naar onze mening aan alle kanten en riekt naar een hobbygehalte van een kleine groep lieden, die hun verhaal wonderwel in stand weten te houden. Dit systeem kost ieder jaar weer meer dan duizend dieren het leven, in 2012 was er zelfs een bulk van 1500 dode dieren, of te wel een kadaverlint van ongeveer 2 tot 3 kilometer. Dit Dierenleed moet stoppen.

Op 14 januari 2012 heeft ons bestuurslid, zijnde de oud inspecteur van de LID met de programmanager van SBB gesproken,dat hij de sectierapporten mocht gaan inzien van de terminaal afgeschoten dieren in de OVP. Op deze kadavers wordt periodiek sectie verricht bij de Gezondheidsdienst voor Dieren in Deventer. In het verleden, in zijn tijd bij de LID, liet deze oud inspecteur ter ondersteuning van een proces-verbaal ook regelmatig  uitgemergelde kadavers onderzoeken op hun lichamelijke conditie, de maaginhoud en de eventuele oorzaak van het sterven. Ook werd door degene die de sectie verrichte vaak aangegeven of een dergelijk gestorven dier in zijn beleving en bevindingen ook onnodig lang had geleden en of dat de  gezondheid of het welzijn op een andere wijze was benadeeld. Een dergelijk soort rapport was altijd, met een verklaring van een onafhankelijke dierenarts, een ondersteuning van een opgemaakt proces-verbaal ter zake van artikel 36 lid 1 van de Gezondheids-en Welzijnswet voor Dieren. Dit artikel luidt: “ Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijdingen van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier  te benadelen.”  Door in onze ogen wel erg vreemde beredenering van rechter (s) is dit artikel niet meer van toepassing op de dieren van de OVP. Wel blijft artikel 36 lid 3 van deze wet van toepassing, waarin staat: “Een ieder is verplicht een hulpbehoevend dier de nodige zorg te geven.”

Bij het inzien van de rapporten heeft de oud inspecteur in aanwezigheid van het Hoofd van de Gezondheidsdienst in Deventer en de programmaker van SBB, ontdekt dat de sectierapporten een ernstige vorm van kopergebrek vermelden. In onze ogen is dit kopergebrek  te wijten aan de vruchtbare, te natte en daardoor draagkrachtige zeeklei van de OVP, waarin de benodigde mineralen ontbreken.

Het Hoofd van de Gezondheidsdienst voor Dieren gaf aan, uitermate bezorgd te zijn over het feit dat in de OVP aanwezige herbivoren tijdens strenge vorstperiodes water moeten ontberen. Volledigheidshalve merken wij nog op dat naar onze mening een heel grote meerderheid van de Nederlandse bevolking tegen het hele gebeuren van de OVP is.

In 2010 heeft het NRC-Handelsblad een artikel over de OVP gepubliceerd, waarop men via internet een reactie kon geven. Van de 108 reacties gaven ongeveer 100 hun afkeuring te kennen. Vreemd dat die meerderheid de Tweede Kamer en de Minister c.q. Staatssecretaris nooit heeft bereikt.

Samengevat kunnen wij als Stichting Welzijn Grote Grazers en vele deskundigen met ons stellen dat duidelijk aantoonbaar is dat dit OVP gebied nooit helemaal een ecologisch, zelfstandig systeem zal zijn.

Yvonne Bierman,  Voorzitter SWGG

Bertus Zuideman,   Bestuurslid en Tekstschrijver

Pagina 4 van 5

Propaganda films

DE PROPAGANDAFILM VAN EMS VOOR STAATSBOSBEHEER :
DE NIEUWE WILDERNIS
https://www.youtube.com/watch?v=_O99sS6K7RU

DIT IS DE WERKELIJKHEID IN DE OOSTVAARDERSPLASSEN:
KAALSLAG, HONGERDOOD EN VRESELIJK DIERENLEED

DE NIEUWE WILDERNIX

http://youtu.be/FWvFAGWwmeg

Kijk voor foto's van het ware verhaal op
www.stophetleed.nl

Stickeractie

Doe mee met onze stickeractie en bestel nu uw stickers bij ons:

DE OOSTVAARDERSPLASSEN:
DE HONGERDOOD
VOOR DUIZENDEN
OPGESLOTEN GROTE GRAZERS

TEKEN DE PETITIE

Bestel de stickers door een email te sturen naar: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
en geef aan hoeveel stickers u wil ontvangen.

De maat van de sticker is 60 cm breed x 15 cm hoog

Contactadres:
Het Spint 5
8252 JZ  Dronten
Tel: 06-22169872

Go to top